De tijd van verwondering: de opkomst van de moderne wetenschap
Vandaag lijkt het water tussen poëzie en wetenschap erg diep, maar dat is niet altijd zo geweest. Want staat de hoogstpersoonlijke subjectiviteit van de dichter niet tegenover het nuchtere ideaal van de objectiviteit van de wetenschap? In de 18e eeuw vonden dichters en denkers elkaar in hun fascinatie voor de wonderen der natuur. In de tweede helft van de 18e eeuw begon men te meten en te experimenteren – met de geboorte van de moderne wetenschap als gevolg.
In de dikke turf ‘De tijd van de verwondering’ toont historicus en schrijver Richard Holmes aan hoe fout dat de opvatting dat romantiek en wetenschap niets met elkaar te maken wel is. De poëzie moest, aldus dichters als Wordsworth en Coleridge, oog hebben voor wetenschappelijke ontdekkingen. Dichters en onderzoekers werden immers allebei gedreven door verwondering over de geheimen van het universum, ze leefden in symbiose met elkaar, en groeiden pas later van elkaar weg. De poëzie moest, aldus beide dichters, de ogen openen voor de ontdekkingen van de chemicus, de botanicus en de mineraloog.
In zijn boek brengt Holmes het verhaal van onder anderen de eerste ballonvaarders, die met een kachel de lucht in gingen. Of van Caroline Herschel, die samen met haar broer William een telescoop bouwde en vervolgens 560 sterren en twee kometen ontdekte. In nieuwe laboratoria bestudeerde men gassen, tot dan toe onbekende, want onzichtbare vormen van lucht. Kennis werd vanaf de tweede helft van de 18e eeuw gebaseerd op empirische feiten en niet langer op de mondelinge overlevering of oude teksten. Men begon te meten en te experimenteren, en men deed dat steeds accurater, reproduceerbaarder en controleerbaarder. Zo ontpopte de oude natuurfilosofie zich stap voor stap tot de ‘moderne wetenschap’.
Holmes voert ook een aantal wetenschappers op die hier weliswaar minder bekend zijn, maar wier namen in Engeland klinken als klokken. Zo voer de botanicus Joseph Banks met kapitein Cook de wereld rond en was Humphrey Davy, een pionier in de scheikunde, de bedenker van de mijnwerkerslamp – een uitvinding die wereldwijd werd gebruikt.
De rode draad in al deze levens van dichters en wetenschappers was hun tomeloze nieuwsgierigheid en een al even grote verwondering over de mysteries van het universum. Holmes construeerde een historisch drama, waarin ook Erasmus Darwin (grootvader van), de elektricien Faraday, de ontdekkingsreiziger Mungo Park en de schrijfster Mary Shelley figureren.
Belicht op Erfgoeddag tijd- en geestesgenoten of bewonderaars en volgers van deze grote namen uit de wetenschap. Welke uitvindingen staan er op hun conto? En welke impact hadden deze innovaties?
Leestip:
HOLMES (Richard), De tijd van de verwondering. De ontdekking van de moderne wetenschap [Vertaald door Wybrand Scheffer], Amsterdam, Contact, 654 p.
Afbeeldingen:
(bovenaan) De cover van het boek. (onderaan): Joseph Banks (links) en William Herschel (rechts)



