Collectiemobiliteit. Vlaanderen beweegt
faro, 4(2011)1, p. 46-54.
De term ‘collectiemobiliteit’ duikt vanaf de jaren 1990 op in het erfgoedjargon. Aanvankelijk nog voorzichtig en voornamelijk binnen het debat over de ontvetting van overvolle museumdepots en het afstoten van collectiestukken. Bij onze Noorderburen werden met het begrip Collectie Nederland ook ideeën over collectiemobiliteit enigszins gemeengoed in de museumwereld. Dit kreeg al snel concreter gestalte binnen beleidsteksten, zoals de nota Cultuur als confrontatie (1999) van Rick van der Ploeg, Nederlands staatssecretaris van OC&W. Het is een intentieverklaring om het (grotendeels verborgen) cultureel vermogen van de musea beter zichtbaar te maken. Ook de betekenis van het internet wordt hierin onderstreept, met name het virtuele collectieaanbod.
Vanaf 2003 komt collectiemobiliteit sterk op de Europese agenda, waar het begrip vooral geassocieerd wordt met het internationaal bruiklenen van collectiestukken. Tijdelijke bruiklenen voor tentoonstellingsdoeleinden behoren uiteraard al veel langer tot de courante museumpraktijk, maar Europa wenst hiermee meer specifieke uitgangspunten te huldigen, namelijk dat het delen van collecties een van de voornaamste taken van de musea is. Zo zal het cultureel vermogen van de lidstaten meer zichtbaar worden voor een zo breed mogelijk publiek. Maar tussen afstoten en internationaal bruiklenen roert er in onze musea meer onder de vlag van collectiemobiliteit.
Lees het volledige artikel (pdf, 2,56 MB)