6-12 jaar
Tijdens de lagere schooljaren verandert er veel voor een kind. We haalden in de brochure ’t Zit in de familie al het belang van spel én van medezeggenschap aan. Daarnaast is de ontwikkeling van vriendschappen en zelfwaardering op deze leeftijd cruciaal. Het mythisch denken dat typerend is voor de kleuterleeftijd begint stilaan plaats te ruimen voor iets anders: kinderen willen dan wel degelijk weten of een verhaal juist is of niet. Op die manier verkennen ze de werkelijkheid. Heel vaak vertaalt dit zich in het verzamelen van bepaalde dingen of in een specifieke interesse (bv. spinnen, stenen, muziek…).
In opdrachten voor kinderen tussen 6 en 12 kan je hen zeker stimuleren tot het volgende: verschillende soorten sporten, handwerken (zoals breien of haken), rollenspel, gedetailleerd tekenen, plattegrond maken, meningen en ideeën formuleren, koken, toneelspelen, foto’s maken, gezelschapsspelen, puzzelen, games, lezen, films bekijken… In deze leeftijdscategorie spelen kinderen ook graag met anderen en in groepjes, of met twee (bv. met poppen of auto’s) en zijn ze vaak actief in clubjes.
Een beter tijdsbegrip komt pas tot ontwikkeling vanaf de leeftijd van 10 jaar. Ze kunnen dan van een jaartal zeggen in welke eeuw het thuishoort en ze leren dan over de grote periodes uit de geschiedenis: over de prehistorie, de oudheid, de middeleeuwen, nieuwe tijden en onze tijd. Ze kunnen van dan af ook begrippen zoals een wijk, dorp, gemeente, stad, provincie en land in een juiste context gebruiken.
Met deze kinderen kan je zeker ook werken rond allerlei vormen van immaterieel erfgoed, zoals de eigen familiegeschiedenis, mondelinge getuigenissen. Denk bv. aan het maken van een familieverhaal, een stamboom, het ophalen van herinneringen… Wakker de interactie met volwassen aan. Heel wat familieleden kunnen nog verhalen vertellen over vroeger, misschien uit de oorlogsperiode; of over hun militaire dienst, of over wat er zich thuis afspeelde… Mogelijke activiteiten hierbij zijn: maak een tentoonstelling over het huwelijk van grootouders, schrijf een boek over de familie, maak een album met korte verhalen, tekeningen en foto’s…
Je kan verhalen het best losweken door te vertrekken van een bepaald object (bv. een werktuig of gebruiksvoorwerp van vroeger). Laat dat het startpunt zijn voor het verdere gesprek. Of je gebruikt (oude) verkleedkleren. Of nog, laat kinderen en volwassenen samen tekenen (teken een plaats van vroeger, uit je geheugen). Werken met een verhaal biedt veel kansen om ook zelf als begeleider diverse inhouden aan te brengen. Als je als begeleider zelf verhalen vertelt , dan is dit zeker interessant als omkadering bij het tonen van objecten: het kan meteen een begrijpbare interpretatie geven voor groot en klein. Een verhaal blijft beter in het geheugen hangen dan een verzameling van losse feiten. Maar uiteraard is een verhaal altijd slechts één interpretatie van een geschiedenis. Je kan verhalen bijgevolg dus ook bewust inzetten om kinderen en volwassenen kennis te laten maken met verschillende perspectieven. Voor kinderen kan het bijvoorbeeld erg leerrijk zijn om het verhaal van de wolf en de drie biggetjes eens een keer vanuit het perspectief van de wolf te horen!
Het vertellen van verhalen maakt het verleden ook veel ‘menselijker’ en concreter. Zeker wanneer deze verhalen worden verteld op de plaats waar ze écht hebben plaatsgevonden (ook al is deze in de loop der tijden veranderd…). Dat is een troef die meerdere erfgoedorganisaties met glans kunnen uitspelen. Verhalen vertellen is bovendien iets dat je gemakkelijk ‘op locatie’ kan doen: naar scholen trekken…
Bronnen en meer info:
- S. DE MAERTELAERE, Bruggen bouwen tussen erfgoed en onderwijs, Arteveldehogeschool, januari 2009. [presentatie tijdens workshop van Erfgoedcel Waasland]
- M. ANDERSON, Using Stories to Enhance Historical Understanding, IN: Rethinking Learning: Museums and Young People. A Collection of Essays, Edinburgh, MuseumsEtc, 2010, pp.120-159.