Nummeren van museumobjecten

Elk voorwerp uit een collectie krijgt een inventarisnummer, dat individueel en uniek is, om het voorwerp te kunnen identificeren. Het nummer laat toe te verwijzen naar de gegevens die over het voorwerp zijn genoteerd op de inventarisfiche of opgeslagen in een record binnen de geautomatiseerde collectieregistratie. Wanneer een nieuw voorwerp binnenkomt, bijvoorbeeld door aankoop of schenking, of wanneer pas met inventariseren wordt gestart, krijgt het object meestal eerst een voorlopig volgnummer. Dit nummer kan met een label aan een touwtje tijdelijk aan het object worden bevestigd. Als het inventarisnummer definitief vaststaat, kan het op het voorwerp zelf worden aangebracht.

Het nummer moet onlosmakelijk met het voorwerp verbonden zijn, op een manier dat het niet bij de minste handeling of verplaatsing geheel of gedeeltelijk onleesbaar wordt. Anderzijds geldt dat het nummer te allen tijde verwijderbaar (reversiebel) moet zijn, zonder dat het object hierdoor schade oploopt.

Denk altijd goed na voor je met het nummeren begint. De aard en het materiaal, maar ook de bewaringstoestand van een voorwerp bepalen welke nummeringmethoden geschikt zijn en welke vermeden moeten worden. Ook bij het bepalen van de plaats van het nummer moet men overdacht, logisch en consequent te werk gaan. Men doet er best aan om de afspraken of regels hierover in een handleiding vast te leggen.